Onder de naam
Scenic
Water Design
presenteert de Valkenburgse
ontwerper Tony Heijnens een
interessante collectie
objecten.
Het gaat daarbij niet enkel
om 'in design uitgevoerde'
waterpartijen,
die hun bestaansrecht louter
ontlenen aan hun
toepassingsmogelijkheid in
landschappelijke of
architectonische omgevingen.
De naam
Scenic
Water Design
zou dat misschien kunnen
doen vermoeden. Het werk
bezit deze kwaliteiten
ontegenzeggelijk, maar daar
bovenop moeten ze beslist
ook beschouwd worden als
autonome kunstwerken, door
hun monumentaliteit
(ofschoon de
objecten nooit
uitzonderlijk groot van
afmeting zijn), en hun
sculpturale concept. Het
thema van beide series
waterobjecten
waaruit de collectie
bestaat, is
-vanzelfsprekend- de
verhouding, of liever de
'verstandhouding', tussen
gemaakte sculptuur en het
natuurlijke element water.
Deze thematiek is in de twee
series vanuit zeer
verschillend standpunt
uitgewerkt.
De eerste serie herinnert
nog duidelijk aan
traditionele 'waterwerken'.
We herkennen bijvoorbeeld de
bruggetjes en overloopjes
van die ingenieuze, meestal
in bamboe uitgevoerde
waterspellen die vaak in
traditionele Oosterse tuinen
te vinden zijn. In de eerste
serie objecten van Tony zijn
deze vormelementen echter
opgenomen in strenge,
compacte composities, waarin
verticale en diagonale
richtingen de val van het
water beeldend bepalen. Het
spelelement van het oosterse
'voorbeeld' is in deze
objecten op geraffineerde
manier omgevormd, bijna tot
de ijzeren logica van
utilitaire waterwerken. De
uitvoering van de
waterlopen, herinnerend aan
watergoten en -leidingen
(uitgevoerd in messing),
draagt hiertoe duidelijk
bij. Het water wint, heel
ironisch, uiteindelijk toch,
als het na een laatste
dwingende bocht, vrij en
onstuitbaar terugklettert
naar de aarde. De objecten
van deze eerste serie lijken
zich, juist door het thema
van de dialoog tussen
gemaakte en natuurlijke
krachten, maar ook door de
toepassing van warm gekleurd
hardhout, heel goed te
schikken in een natuurlijke
omgeving.
De objecten van de tweede
serie bestaan uit
natuurstenen zuilen, enkel
of meerdere in een
ruimtelijke samenhang.
Hoewel hoog en slank zijn ze
toch ook onverzettelijk; het
zijn wachters mijlpalen,
steles, tekens. Hoewel
volmaakt geometrisch,
abstract, gladgepolijst,
zijn het ook ruwe metaforen
voor de geweldige kracht van
de natuur. De verhouding van
beeld tot water is een
totaal andere dan in de
eerste serie objecten. Hier
lijkt het water in het
binnenste van het object
zelf haar oorsprong te
hebben. Heel natuurlijk, als
water uit een rots, spuit
het nu eens met kracht naar
buiten, dan weer welt het in
een uitsparing in de steen
op, om vervolgens in een
vliesdunne film langs de
gladde of aangetaste huid
van het beeld omlaag te
sluieren; soms zelfs
nauwelijks zichtbaar.
In enkele
beelden
zijn de werkelijke toe- en
afvoeren voor het water
zichtbaar, maar men herkent
ze eigenlijk niet als
zodanig. Het zijn krachtige
vormen van glanzend
edelstaal, en ze vervullen
in het totaal een plastische
en compositorische functie.
Door de 'wolkenkrabbervorm'
van de zuilen en de
glimmende stalen buizen ligt
de associatie met moderne
architectuur en design voor
de hand. Toch roept het
totaalbeeld, het thema van
de verstilde wisselwerking
tussen water en beeld,
(opnieuw!) vooral de eenvoud
en kracht van oosterse
poëzie op.